Geredigeerd op 11 juni 2026
Toen ik onlangs in The Sun het interview 'The Long Shadow' van Jeanne Supin met de bekende kinderpsychiater en neurowetenschapper Bruce Perry las, bekroop me hetzelfde ongemakkelijke gevoel als jaren geleden bij het lezen van het boek Born for Love. De emotioneel afstandelijke beschrijving van trauma staat me tegen. Dit gevoel deel ik met Alice Miller en een sensitief-intelligente briefschrijver op haar website. Deze schrijft dat Perry veel weet over de hersenontwikkeling, maar dit erg klinisch beschrijft. Ik heb de indruk dat ook Supin deze distantie ervaart; ze noteert dat Perry tijdens het tweedaagse interview voornamelijk sprak over jeugdtrauma in termen van neuronen.
Voor Perry lijkt trauma vooral te gaan over extreme situaties, zoals huiselijk geweld, een schietpartij op school of ernstige verwaarlozing en misbruik. Hiermee wekt hij de indruk dat een minder zichtbare, maar evenzeer schadelijke behandeling geen trauma kan veroorzaken. Denk aan een ouder die zijn stem verheft, een kind een tik op de vingers geeft of commando’s gebruikt als ‘nee’, ‘opruimen’, ‘nú’ en ‘kijk me aan als ik tegen je spreek’. Ook het negeren van behoeften of een afkeurende blik kunnen diepe sporen nalaten. Door dit buiten beschouwing te laten, miskent Perry dat ook deze alledaagse, emotioneel ongevoelige interacties tot langdurige traumatische gevolgen kunnen leiden.
Wanneer een kind geen liefde krijgt, is dat immers altijd een traumatische ervaring. Zulke absurde behandelingen – die vaak 'discipline' of 'opvoeding' worden genoemd – ervaart een kind absoluut niet als liefde. Ik ben het dan ook volledig eens met Alice Miller, wanneer zij in Eva’s ontwaken schrijft dat ‘opvoeding gepaard gaat met vérstrekkende vernederingen.’ Het is een vorm van misbruik die bij het kind angst, stress en pijn oproept, evenals gevoelens van schuld, woede, schaamte en totale machteloosheid.
Het kind zal zich afvragen: ‘Waarom doen ze me dit aan?’ Zulk een behandeling verbreekt de verbinding met de ouders; het kind vertrouwt hen niet meer, voelt zich alleen en onbegrepen. Uit stressonderzoek bij kinderen – bijvoorbeeld het werk van Megan Gunnar naar cortisolniveaus – weten we bovendien dat dit soort disciplinering het stressregulerende systeem in het lichaam langdurig kan activeren als er niet wordt ingegrepen.
Het kind zal deze pijnlijke herinneringen moeten wegdrukken en zijn gevoelens verdoven. De meeste kinderen mogen immers niet met woede reageren op het onrecht dat hen wordt aangedaan. Het brein slaat deze vroege lessen vervolgens op. Later disciplineren deze gekwetste kinderen hun eigen kroost met exact dezelfde methoden – tenminste, als zij weigeren de confrontatie aan te gaan met hun eigen geschiedenis van pijn en lijden, en hun ouders blijven idealiseren.
Want het getraumatiseerde kind wordt door de maatschappij alleen gelaten. Meestal gaat het hierbij niet om een enkel trauma, maar om een opeenstapeling van traumatische ervaringen die voortkomen uit gangbare opvoedingsregels. Het wordt immers als normaal beschouwd dat kinderen moeten gehoorzamen. Hierdoor kan het kind niet rekenen op de hulp en erkenning die slachtoffers van een oorlog of schietpartij wél krijgen. Alice Miller merkt in Vrij van leugens treffend op dat kinderen 'wier trauma’s niet door de ouders veroorzaakt werden, een grotere kans hebben om bij anderen empathie te vinden.' Iedereen kan zich immers voorstellen hoe verschrikkelijk het is om gegijzeld te worden door terroristen of op te groeien in een kamp.
Misschien heeft een kind in de ogen van Perry normen en discipline nodig omdat hij zijn eigen vroege kindertijd niet heeft doorleefd. Zoals zoveel psychiaters, psychologen en andere hulpverleners hun eigen geschiedenis van misbruik niet volledig onder ogen zijn gekomen, en het lijden uit hun vroegste levensjaren niet hebben gevoeld. Dat zijn er immers maar heel weinig. Zolang de idealisering van de eigen ouders niet is doorbroken, zullen de meesten geneigd zijn hun onverwerkte geschiedenis op hun cliënten over te dragen. Deze verloochening en verdringing van het eigen vroege lijden leidt tot het onvermogen om werkelijk te voelen, zoals Alice Miller schrijft in Eva’s ontwaken.
We kunnen iets van deze verloochende en verdrongen geschiedenis signaleren in de manier waarop Perry trauma benadert. Bijvoorbeeld wanneer hij in het interview stelt dat kinderen angststoornissen kunnen ontwikkelen als ouders hun kind niet de kans geven de wereld te ontdekken en continu zeggen: ‘don’t do this and don’t do that’. Uit deze benadering spreekt voor mij een duidelijke ongevoeligheid en ontkenning. Perry benoemt deze destructieve ervaringen immers niet als traumatiserend, waarmee hij voorbijgaat aan het diepe lijden dat in zulke interacties besloten ligt.
Het klinkt mij bovendien naïef, verward en ongevoelig in de oren wanneer hij de scheiding van de ouders van een zesjarige jongen ‘nothing too horrible’ noemt. Ondanks de breuk en de bijbehorende conflicten zou het leven van het kind volgens hem goed zijn geweest, tot het moment dat de moeder een nieuwe, gewelddadige vriend in huis nam. 'Dan wordt de baseline verstoord,' zegt Perry, 'en ontstaat er een stressvolle situatie voor het kind.’
Het is echter aannemelijk dat eerdere stressvolle situaties, zoals jarenlange dagelijkse disciplinering en een echtscheiding op jonge leeftijd, het stresssysteem hebben verstoord. Deze vroege trauma’s vormen mogelijk de grondslag van de baseline die Perry meet. Een scheiding is voor een jong kind altijd een traumatische ervaring, omdat ook eerdere gebeurtenissen waarbij het kind zich verlaten heeft gevoeld daardoor worden geactiveerd. Dit effect is extra sterk wanneer het kind terechtkomt in een situatie waarin het vastloopt in machteloze angst, machteloos verdriet en machteloze woede.
Wanneer ouders deze oude gevoelens van verlating niet erkennen door ze telkens wanneer ze opleven krachtig te benoemen, moet het kind zijn normale gevoelsreacties onderdrukken en zich afsluiten voor de pijn. Deze onderdrukte pijn blokkeert het emotionele leven van het kind en veroorzaakt intense stress. Hierdoor kan het kind niet tot werkelijke rouw komen, waardoor de traumatische gebeurtenis niet kan integreren in zijn levensgeschiedenis.
Als Perry aanneemt dat het stresssysteem van het kind in evenwicht was omdat er vóór de komst van moeders vriend geen zware traumatische gebeurtenissen hebben plaatsgevonden, beschouw ik dat als een emotionele denkblokkade of blindheid. Alice Miller schrijft in Eva’s ontwaken dat emotionele blindheid barrières in de hersenen veroorzaakt ter bescherming tegen gevaren. 'Dat wil zeggen', stelt Miller, 'tegen traumatiseringen die al hebben plaatsgevonden en niet meer bestaan, maar die, omdat ze ontkend worden, als een aanhoudend dreigend gevaar in de hersenen zijn gegrift. Denkblokkades remmen het vermogen om te leren van nieuwe informatie en deze te verwerken.' Deze blokkades lijken Perry te verhinderen om na te denken over het kind dat hij zelf ooit was, en zijn eigen geschiedenis te zien en te voelen.
Om te beoordelen of Perry's aanname klopt dat er vóór de komst van moeders vriend geen traumatische gebeurtenissen hebben plaatsgevonden, moeten we kunnen voelen als een kind. Om te kunnen voelen als een kind, moeten we een beroep doen op de ervaringen met onszelf en met onze cliënten. Dit betreft ervaringen die teruggaan naar zeer vroege belevenissen uit de eerste jaren van ons leven, die we onder woorden moeten brengen. Dat onder woorden brengen is pas mogelijk wanneer we werkelijk kunnen voelen. Als Perry zou kunnen voelen als het kind dat hij zelf ooit was – zonder daar latere, aangeleerde theorieën bij te betrekken – dan zou hij meer begrip krijgen voor wat de jongen gevoelsmatig, en dus niet louter op het niveau van neuronen en hersenontwikkeling, heeft doorstaan.
Zonder veel moeite kunnen we uit de manier waarop Perry trauma beschrijft, de afwijzende houding aflezen van de volwassene tegenover het eigen gevoelsleven dat hij in het getraumatiseerde kind tegenkomt. Hij wijst het jonge kind in zichzelf af en wil het niet toelaten. Het is precies deze afwijzing van het innerlijke kind die de lezer als emotioneel afstandelijk kan ervaren. Zolang Perry zich distantieert van het lijden in zijn eigen kindertijd, hoeft hij zich niet te realiseren hoe traumatisch de gevolgen kunnen zijn van het disciplineren van kinderen en van ouderlijke verlating, zij het fysiek of emotioneel.
Het is evenmin moeilijk om te zien hoe Perry de schuldgevoelens van het kleine kind dat hij zelf ooit was, delegeert naar het getraumatiseerde kind. Dit zijn schuldgevoelens die ontstaan omdat elk kind – op grond van zijn onvoorwaardelijke liefde voor hen – geneigd is de schuld en verantwoordelijkheid voor de wreedheid van zijn ouders op zich te nemen. Dit blijkt bijvoorbeeld wanneer hij een schoolklas informeert over een emotioneel beschadigde klasgenoot en zegt: ‘maybe this girl didn’t have a loving mommy and daddy, so she doesn’t understand how to make friends’. Dit voelt voor mij als het overdragen van schuldgevoelens, alsof er indirect wordt gezegd: ‘omdat zij geen liefdevolle mama en papa heeft, weet zij niet hoe ze vrienden moet maken’.
Iets soortgelijks las ik in Born for Love in de beschrijving van Eugenia, een emotioneel verwaarloosd meisje uit een Russisch weeshuis dat als peuter werd geadopteerd door een Amerikaans gezin. Perry schrijft dat haar vriendschappen ‘niet zo hecht [zijn] als degene die zij tussen andere mensen ziet’ en dat ze merkt dat haar vriendinnen ‘zich op een manier met anderen verbinden, die ze zelf niet begrijpt’. Hij beschrijft trauma op een manier die telkens benadrukt wat er mis is met de ander en wat er niet functioneert, alsof de oorzaak inherent in het kind zelf ligt.
Zo’n benadering kan de schuldgevoelens van het kind – het gevoel liefde onwaardig te zijn – versterken en haar verhinderen om haar eigen woede volledig te begrijpen en te beleven. Als de therapeut haar daarentegen helpt de schuld niet bij zichzelf te leggen, maar bij degenen die deze werkelijk verdienen, kan zij inzien dat zij niet in haar eentje verantwoordelijk is voor de relatie. Verbinding is immers een wisselwerking tussen twee mensen, waarbij beiden verantwoordelijk zijn voor de manier waarop zij zich verbinden.
Signalen voor deze projectie van schuld van de volwassene op het getraumatiseerde kind zijn ook te vinden in het interview waarin Perry beschrijft hoe hij een hele schoolklas inschakelt om een getraumatiseerde klasgenoot te helpen. Hij deelt informatie over waarom dit kind anders is, wat de klasgenoten helpt om haar niet als een paria te behandelen, maar zich op te werpen als haar beschermers. Maar waarom zouden kinderen een ander kind überhaupt als paria beschouwen? Dat komt doordat de meeste kinderen zelf in hun integriteit zijn gekwetst tijdens de eerste, beslissende jaren van hun leven – door vormen van misbruik of mishandeling. Zij hebben zich voor die pijn moeten afsluiten omdat er destijds geen hulp voor hen was en er geen Helpende getuige aanwezig was.
Een kind dat aan het begin van zijn leven met empathie is bejegend, zal empathisch en gevoelig blijven. Zo'n kind voelt geen enkele behoefte om anderen te kleineren; het kan niet anders dan zwakkeren respecteren en beschermen. Door de klasgenoten achtergrondinformatie over het meisje te geven, benadrukt Perry niet alleen haar ‘anders-zijn’ en draagt hij schuldgevoelens op haar over; hij verloochent daarmee ook het onuitgesproken lijden van de andere kinderen. Dit komt voort uit het feit dat hij het kind in zichzelf miskent en zijn eigen vroegere lijden niet toelaat.
Ik vraag me bovendien af waarom Perry deze verloochening nodig heeft wanneer hij stelt dat ‘many of the worst serial killers were humiliated, degraded, and marginalized by a parent’ en ‘many school shooters felt marginalized or humiliated by their peer group’. Deze nuancering is feitelijk onjuist; het perspectief van Alice Miller is hier treffend van toepassing. Zij betoogt immers dat er in deze context geen sprake is van ‘vele’ of ‘de meeste’, maar onvoorwaardelijk van ‘alle’ daders.
Miller onderbouwt dit standpunt als volgt: *‘...since it is absolutely impossible for someone who has grown up in an environment of honesty, respect, and affection ever to feel driven to torment a weaker person in such a way as to inflict lifelong damage. He has learned very early on that it is right and proper to provide the small, helpless creature with protection and guidance; this knowledge, stored at that early stage in his mind and body, will remain effective for the rest of his life.’
Alice Miller verklaart deze verloochening als volgt: ‘Mensen hebben ondanks nieuwe bevindingen geleerd de martelingen uit hun kindertijd als gerechtvaardigd te beschouwen vanwege hun eigen slechtheid, en de pijnlijke gebeurtenissen te onderdrukken en verdringen om te kunnen overleven. Het is met zulke verklaringen dat we de daden van onze ouders beschermen.’
De manier waarop Perry trauma benadert, doet sterk denken aan het getraumatiseerde kind dat hij zelf ooit was. Niemand had destijds oog voor de emotionele pijn waarover zijn lichaam via de astma sprak. De aandoening werd waarschijnlijk gezien als een probleem in het kind zelf (schuld), in plaats van een reactie op de benauwende situatie in zijn eerste levensjaren. Zo wordt het concept 'schuld' al heel vroeg aangeleerd. De manier waarop Perry over trauma spreekt – met de nadruk op het overdragen van schuld en onderdrukte woede – weerspiegelt dan ook heel nauwkeurig zijn eigen vroege geschiedenis.
In een video zegt Perry over het ontstaan van astma dat de oorsprong van de aandoening onbekend is en dat er veel factoren meespelen. Maar als we de taal van onze eigen onderdrukte gevoelens niet begrijpen, kunnen we de werkelijke oorzaak ook niet vinden. De ware toedracht blijft dan verborgen en de ouders uit onze vroege kindertijd worden beschermd. Wanneer we echter bereid zijn onze vroegste gevoelens serieus te nemen en werkelijk te doorgronden, kunnen we voor het kind een 'Helpende getuige' zijn. Zo kunnen we het kind helpen om sterke emoties tot expressie te brengen en de effecten van het trauma – waaronder astma – transformeren of helen.
Maar als de oorzaak van de symptomen bij het kind wordt gezocht en niet bij de daden van de ouders, kan het kind zijn gezonde agressie niet doorvoelen. Het moet de ouders dan sparen en idealiseren als afweer tegen het voelen van de wrede behandeling. Om de pijn uit zijn eigen jeugd te vermijden, bestrijdt Perry onbewust de gezonde woede in zijn verwonde cliënten met projecties van schuld. Omdat Perry deze woede bij zichzelf verloochent, kan het getraumatiseerde kind de gerechtvaardigde woede over het ervaren onrecht nooit volledig begrijpen of integreren.
Alice Miller schrijft hierover dat een patiënt op deze manier ‘nogmaals zeer reëel (en niet alleen in de overdracht) getraumatiseerd wordt als hij tegenover een mens staat die zijn toorn niet volledig kan begrijpen, waardoor hij die toorn zelf ook niet kan begrijpen en aanvaarden.’ Het kind, én het kind in de volwassene, hebben pas kans om te genezen als zij de waarheid van hun geschiedenis onder ogen mogen zien. Daarvoor heeft een kind in onze maatschappij een 'Helpende getuige' nodig en een volwassene een 'Wetende getuige'.
In haar boek De opstand van het lichaam benadrukt Miller het belang van absolute eerlijkheid: ‘In die hulp mag niet het geringste spoor van leugenachtigheid zitten, omdat het lichaam dat vroeg of laat zou merken en zelfs de mooiste woorden zouden het, in elk geval op de lange duur, niet in verwarring kunnen brengen.’
Ik zie het als mijn missie om signalen van leugenachtigheid in woord en geschrift aan het licht te brengen. Het is niet mijn bedoeling om het werk van Bruce Perry en anderen te kleineren; daar gaat het niet om. Maar alleen de waarheid over onze eigen vroege kindertijd kan de diepe effecten van kindertraumatisering helen. Pas dan kunnen we geweld tegen kinderen voorkomen – ook het subtiele geweld waarbij het natuurlijke gedrag van een kind wordt gecorrigeerd. Daarvoor moeten we bereid zijn de pijn en woede van onze eigen vroege vernederingen toe te laten, en de pijnlijke waarheid te voelen dat wat we destijds kregen, geen liefde was.
Gebruikte literatuur
Alice Miller
- De opstand van het lichaam (2004) – Uitgeverij MOM.
- Eva’s ontwaken – Over de opheffing van emotionele blindheid (2002) – Uitgeverij Unieboek.
- Vrij van Leugens – Oorzaken en gevolgen van kindermishandeling (2009) – Uitgeverij Het Spectrum.
- In den beginne was er opvoeding (1997, 10e druk) – Uitgeverij Van Holkema & Warendorf.
- Gij zult niet merken – Tachtig jaar psychoanalyse (1992, 4e druk) – Uitgeverij Het wereldvenster.
- Banished Knowledge – Facing Childhood Injuries (1990) – Uitgeverij Virago.
- Without feelings (2010) – Online artikel via het Alice Miller Archief.
Bruce Perry
- Born for Love – Why Empathy is Essential and Endangered (2011) – Bruce D. Perry & Maia Szalavitz, Uitgeverij HarperCollins.
- The Long Shadow – Bruce Perry On The Lingering Effects Of Childhood Trauma (2016) – Interview door Jeanne Supin, gepubliceerd in The SUN Magazine.
Belangrijke begrippen uit dit artikel
- Liefde: Een manier van gedragen die de ander echt voelt als liefde; wanneer de ander zich geaccepteerd, gerespecteerd, gewaardeerd en gekoesterd voelt.
- Discipline: Misbruik van de macht die volwassenen denken nodig te hebben in de omgang met kinderen.
- Cortisol: Een stresshormoon. Het is een van de meest toxische stoffen voor het zenuwstelsel, omdat het gezonde hersencellen afbreekt en de immuunfunctie ingrijpend onderdrukt.
- Baseline: De term die Bruce Perry gebruikt voor het moment waarop het stressresponssysteem van het lichaam weer volledig in evenwicht komt na een potentieel gevaar.
Tags:

Laatste artikelen
Een poging me de mond te snoeren
Hoe het verlies van mijn harige vriend herinneringen triggerde van het hele kleine kind in mij
Brigitte Oriol’s ontmoeting met Alice Miller
Klara's poging tot eerherstel