Wanneer we de realiteit van het kind dat we waren ontkennen

Gepubliceerd door Oliane op 10 juli 2021

Aanleiding
Nog niet zo lang geleden luisterde ik op YouTube naar een interview met immunoloog Sucharit Bhakdi. Dat gesprek ging over de brief die Bhakdi en zijn collega’s aan de EMA schreven. Daarin spreken zij hun verontrusting uit over het feit dat er niet is nagedacht over de risico’s van op genen gebaseerde injecties. Ik vond het interview belangwekkend en informatief, maar ik voelde ook een intensiteit in de emoties van Bhakdi die ik ervaarde als overdracht. „Overdracht kunnen we begrijpen,” zei Alice Miller, „als de ontkenning van de vroege, wrede realiteit van het kind dat we eens waren.” Dit is een van de manieren die we als volwassene hebben om over onze vroeg onderdrukte gevoelens te vertellen. De overdracht die ik voelde tijdens het interview en de herinneringen die dit bij mij triggerde, motiveerden mij om deze blogpost te schrijven.

De weerloze ontvanger
Na afloop van het gesprek kreeg ik krampen in mijn maag en werd ik onpasselijk. Er kwam een sterke behoefte in me op aan liefde, bescherming en troost. Deze lichamelijke en emotionele symptomen verdwenen gelukkig ook weer snel. Dat komt doordat ik mijn ware gevoelens jegens mijn ouders niet meer hoef te ontkennen of te negeren. Ik begreep dat mijn lichaam op de overdracht van Bhakdi reageerde als gevolg van de destijds bedreigende ervaringen in mijn vroege kindertijd.

De symptomen en verlangens kon ik herleiden tot de overdracht van mijn ouders (en anderen om mij heen). Zij droegen hun geloochende, ongewilde gevoelens en onvervulde kinderlijke behoeften via projectie op mij over toen ik nog heel klein en volledig afhankelijk van hen was. Deze projecties brachten me in totale verwarring over wie ik zelf was in mijn ontwikkeling; ze wekten enorm veel angst en pijn bij me op. Dit gebeurde zó vroeg in mijn leven — in de periode dat mijn brein zich structureerde en nog zo gevoelig was voor de omgeving — dat ik mezelf als vijfjarige ervaarde als het hondje uit een droom die ik ooit had. Een klein, bruin hondje waarvan het lichaam aan de onderkant over de hele lengte was opengemaakt en weer dichtgebonden. Dat was zo slordig gedaan dat er overal gaten zaten waar je doorheen kon kijken. Van binnen was het diertje helemaal uitgehold tot een leeg omhulsel, dat vervolgens was opgevuld met proppen: de projecties van mijn ouders.

Leeggeroofd van mijn binnenste, van al mijn kostbaarheden, mijn gevoelens en mijn levendigheid, werd ik geconfronteerd met hun gemeenheid en haat. Ik moest zien te dealen met het emotionele afval van mijn ouders. Hierdoor was het voor mij onmogelijk om mijn eigen, echte gevoelens te ervaren en uit te groeien tot een zelfstandige persoonlijkheid. Om emotioneel sterk en zelfbewust te worden, had ik juist dagelijkse bevestiging van mijn zelfwaarde en authenticiteit nodig, ondersteund door onvoorwaardelijke liefde.

De gevolgen van de ontkenning van hun eigen wrede kindertijd moest ik elke dag voelen, zowel door hun projecties als door hun actieve handelen. Alice Miller stelde zichzelf in haar boek Gij zult niet merken de vraag: „Wat gebeurt er met een klein kind, een zuigeling misschien, als het tot drager wordt van projecties die zelfs een ervaren analyticus in het nauw kunnen brengen?” Miller vervolgt: „Dit zal onvermijdelijk een zware hypotheek leggen op het gehele leven van het kind.” De droom van het kleine, bruine hondje vertelt precies over deze last wanneer het kind tot drager wordt gemaakt van de projecties van zijn ouders. Het is mijn persoonlijke tragiek dat mijn ouders mijn emotionele leven vernietigden. Het heeft me veel tijd gekost om me van die oude pijn te bevrijden door deze emotioneel volledig te doorvoelen, om er uiteindelijk vrij van te kunnen zijn.

Een volwassene kan projecties teruggeven aan een partner of iemand anders en bijvoorbeeld zeggen: „Wat je nu zegt, is niet voor mij bedoeld.” Een volwassene kan uitspreken wat dat met hem of haar doet, maar een kind kan dat niet. Een kind kan projecties niet teruggeven aan een moeder en zeggen: „Jouw boosheid, woede en haat zijn niet voor mij bedoeld, maar voor je eigen moeder.” Of: „Ik wil niet dat je mij gebruikt om de aandacht, bewondering, waardering, aanmoediging en beschikbaarheid te krijgen die je eigen moeder je nooit gegeven heeft.”

Alice Miller schreef in Gij zult niet merken: „Het kind kan zich tegen de projecties van zijn ouders niet verzetten, kan ze ook niet teruggeven en het kan ons ook niet uitleggen wat die projecties voor hem betekenen. Het kan alleen de drager ervan worden.” De projecties op het kind wekken angst, verwarring, pijn, woede, wanhoop, beschaming en andere gevoelens op. Deze blijven onderdrukt tot ze veel later, onbewust, op een ander worden geprojecteerd, waardoor het misbruik opnieuw wordt doorgegeven. Meestal zijn het de eigen kinderen die als projectievlak worden gebruikt, simpelweg omdat het kind beschikbaar is en niets terug kan doen. Het is dan ook verwonderlijk dat er bijna niemand met verontwaardiging reageert op ouders die hun kinderen met deze projecties beschadigen en zich zo wreken voor wat hun eigen ouders hen hebben aangedaan — en dat allemaal zonder dat zij daar ooit voor ter verantwoording worden geroepen.

Maar het zijn niet alleen ouders die zichzelf of hun eigen verleden op een kind projecteren. Ook leerkrachten, begeleiders, coaches en hulpverleners in de kinder- en jeugdzorg projecteren geregeld (delen van) hun eigen getraumatiseerde zelf op het kind. Hieronder geef ik daar een aantal voorbeelden van.

Afwijzen van eigen gevoelens
Ik las in de Volkskrant een interview met verloskundige Beatrijs Smulders. Ze wist het zeker: als een jongetje geboren wordt bij een moeder die hem lichamelijk koestert, onbeperkt van hem geniet en hem eindeloos aan haar borst laat zuigen, zal hij later nooit een vrouw verkrachten. "Nooit," claimde ze. Wel voegde ze eraan toe dat de moeder tegelijkertijd grenzen moet stellen door te vertellen dat hij niet in de tepel mag bijten. Ook moet er zichtbaar van de moeder gehouden worden door haar partner.

Het idee dat zo'n 'vertroetelde' baby later geen geweld zal gebruiken, sluit aan bij het gedachtengoed van Alice Miller. In Het drama van het begaafde kind schreef zij: "Onze wereld zou er vast heel anders uitzien als de meeste baby’s die kans kregen, zonder zich al vroeg te hoeven bekommeren om de behoeften van hun moeders."

De projectie van de eigen, verdrongen geschiedenis komt echter om de hoek kijken zodra Smulders eist dat de moeder grenzen stelt bij het bijten. Wat hier wordt geprojecteerd, is een onbewuste agressie en schuldgevoel. Dit is een reactie op de natuurlijke behoeften die de kleine Beatrijs vroeger zelf niet mocht beleven. Uit angst voor afwijzing en het verliezen van liefde, heeft zij de agressie in zichzelf destijds bestreden en omgezet in schuld.

Elk kind is namelijk geneigd om zichzelf de schuld te geven van ervaren onrecht. Dat doet minder pijn dan inzien dat de ouders de bron van de pijn zijn. Het kind onderdrukt zijn woede en bestrijdt deze als schuld. Miller zei hierover: "Wat we dan zien, is dat de volwassene indirect een afwijzende houding heeft tegenover zijn eigen gevoelsleven die hij in de zuigeling ontmoet." De verloskundige projecteert hier dus haar eigen, onbewust gebleven vroege ervaringen op het kind.

In de tepel bijten of de moeder slaan kan in de basis een onschuldig, speels spel zijn, stelde Miller. Dat hangt volledig af van de blik van de moeder. Als een moeder zich hierdoor vernederd voelt en het kind verwart met haar eigen ouders, grijpt ze naar pedagogische maatregelen. "What began as playful behaviour on part of the child can turn into frustration and assume destructive traits." Het kind voelt zich dan onbegrepen. De enige manier om die frustratie te uiten, is door júist te gaan bijten of slaan. De overdracht van deze gevoelens heeft niets met het kind te maken, maar alles met hoe wij zelf met onze vroegste gevoelens omgaan.

Wanneer bekende mediafiguren, zoals deze verloskundige, beweren dat je kinderen grenzen moet stellen als ze tijdens de borstvoeding in de tepel bijten, kan dat een sterk onderdrukkend effect hebben op (aanstaande) ouders. Het kan hen blokkeren in het bewustwordingsproces van hun eigen kindertrauma's. Mensen die stellen dat kinderen grenzen nodig hebben, ontkennen of dissociëren vaak (deels) hun eigen oude pijn. Hierdoor blokkeert ook  een deel van de empathie die essentieel is om echt met het kind mee te voelen en te verbinden.

De verloskundige is niet de enige die agressie en schuld projecteert via het concept van 'grenzen stellen'. Dit gebeurt thuis, op scholen, in de jeugdhulpverlening en op andere plekken waar kinderen afhankelijk zijn van volwassenen. Onlangs las ik in de concept-Richtlijn Ouder-kindrelatie – waaraan nota bene talloze gezondheidsprofessionals hebben meegewerkt – de passage: ‘het kind moet doen wat de ouders van hem vragen.’ Hiermee is de projectie van agressie en schuld zelfs de fundamentele premisse van een officiële richtlijn geworden.

Verhulling van ervaren onrecht
Een andere veelvoorkomende projectie is het labelen van het kind met zogenaamde 'stoornissen' zoals ODD of ADHD. Zodra een kind eenmaal een etiket heeft, wordt het 'behandeld' met manipulatieve gedragstherapieën. Het doel hiervan is puur om te zorgen dat het kind doet wat de volwassene van hem verlangt. Dit proces gaat vaak hand in hand met het voorschrijven van medicatie. Dit werkt als een vorm van misleiding, omdat het de waarneming van het kind dempt en voorkomt dat het kan zien hoe de ouders werkelijk met hem omgaan.

Want ‘het gedrag van het kind’, schreef Alice Miller in haar boek In den beginne was er opvoeding, ‘is een gepaste reactie op ondergane krenkingen, vernederingen, geweldplegingen of het ontbreken van voedende communicatie.’ De zogenaamde ‘stoornis’ is puur een aanpassing van het kind aan het (vaak meervoudige) trauma. Het heeft niets te maken met genen of het karakter van het kind; die verklaringen leggen de schuld ten onrechte bij het kind. Het gedrag is juist een signaal dat het kind niet zichzelf kan zijn. Het ervaart diepe pijn, angst en woede, maar moet deze authentieke gevoelens onderdrukken uit angst de liefde van de ouders te verliezen. En precies het onderdrukken van deze vitale gevoelens—zoals legitieme woede over ervaren onrecht en wreedheid—leidt uiteindelijk tot lichamelijke of psychische aandoeningen.

Pas wanneer we onze destructieve overdracht en projecties op het kind ontdekken, zien we de werkelijke oorzaak. Dit gedrag wordt gedreven door onbewuste, niet-doorleefde woede over het misbruik en de uitbuiting die wij zelf vroeger ondergingen om aan de behoeften van onze ouders te voldoen. De wortel van het probleem ligt bij de ouders, nooit bij het kind. Ouders moeten daarom geholpen worden om hun eigen geschiedenis emotioneel te integreren, zonder hen te sparen in hun schuldgevoelens. Die schuldgevoelens zijn immers een belangrijk signaal: ze wijzen op vroege kindpijn waarvoor de ouder destijds ten onrechte de verantwoordelijkheid heeft gedragen. Het herinnert aan de woorden van Alice Miller: “… nobody wants to understand that parents are not free to give their children emotional support as long as they are stuck in their fear of their own parents and don’t dare to question their cruel behavior. Out of this fear, they repeat the cruelties they were subjected to in their own childhoods.”

‘Als we het kind en zijn ouders écht willen helpen,’ schreef Miller, ‘dan moeten we besluiten om de focus volledig op het kind, zijn gevoelens en zijn legitieme behoeften te leggen. We moeten het voor het kind mogelijk maken om zijn waarheid uit te spreken over hoe het de aanvallen van de ouders heeft ervaren. Het gaat daarbij niet om vergeving, maar om het uit de weg ruimen van de geheimen die ouders en kind uit elkaar drijven. Het doel is de opbouw van een nieuwe relatie die berust op wederzijds vertrouwen, en het opheffen van het isolement waarin het gekwelde kind zich tot dan toe bevond. Als er vanuit de ouders een erkenning van de verwonding plaatsvindt, brengt dat spontaan een genezingsproces op gang.’

In mijn werk met ouders zie ik hier dagelijks het bewijs van. Zodra ouders de authentieke emoties van hun kind valideren—inclusief de boosheid en woede over het aangedane onrecht—en het kind zijn waarheid mag spreken, lossen symptomen als sneeuw voor de zon op. Het belangrijkste effect is echter dat het kind weer contact maakt met zijn ware zelf. Het vindt de verbinding terug die verloren ging toen het gedwongen werd zijn eigen gevoelens en behoeften te ontkenning.

Loochenen van trauma
Minstens zo problematisch zijn de projecties op het kind binnen instellingen zoals Veilig Thuis en de jeugdzorg. De onbewuste overdracht van de hulpverlener blokkeert het vermogen om de werkelijke wreedheid tegenover het kind in haar totaliteit te herkennen en mee te voelen. Zo schreef een jeugdzorgwerker na een huisbezoek aan een gescheiden moeder met een tweejarig kind dat de peuter ‘een echte knuffelkont’ was. Omdat het kind de moeder tijdens het bezoek voortdurend knuffelde, trok de hulpverlener direct de conclusie dat er sprake was van een gezonde hechting. Dat aan dit vermeende ‘knuffelgedrag’ hele andere emoties ten grondslag konden liggen—zoals angst —werd niet eens overwogen, laat staan onderzocht.

Het was namelijk bekend dat dit kind regelmatig tegen haar wil en behoefte in werd opgehaald door vreemden, of door bekenden bij wie ze zich heel onveilig voelde. Zodra zo'n onveilig persoon binnenkwam, zocht het kind in haar wanhoop en angst om meegenomen te worden, bescherming en geruststelling bij haar moeder. Door moeder te knuffelen hoopte het kind dat moeder haar dan niet mee zou geven. In de rapportage werd echter een volkomen eenzijdig beeld geschetst. Dit diende vooral om de moeder te ontzien en stelde de hulpverlener in staat om de eigen vroege kwellingen te loochenen.

En zo kan ik talloze voorbeelden noemen uit rapporten van jeugdzorginstellingen waarin het lijden, de mishandeling en de traumatisering van het kind worden verloochend. Dit heeft alles te maken met de hulpverlener zelf, die niet in contact staat met de emoties uit zijn eigen vroegste levensjaren en onbewust de destructieve gedragingen van zijn eigen ouders herhaalt. Kinderen van acht maanden en twee jaar oud die dagelijks huilen, bekijkt de hulpverlener door de bril van zijn eigen autoritaire opvoeding. Hij ziet die discipline aan voor liefde en blijft blind voor het feit dat dit huilen een pure expressie is van emotionele pijn en distress. Het kind krijgt simpelweg niet wat het emotioneel nodig heeft. De hulpverlener beschouwt het huilen als een logisch en onschadelijk gevolg van discipline—het structureel voorbijgaan aan de natuurlijke behoeften van het kind—waardoor dit in de rapportage misleidend genoeg niet als kindermishandeling wordt aangemerkt.

Talrijke studies uit de afgelopen 50 jaar naar kindermishandeling tonen aan dat alle niet-empathische behandelingen van kinderen niet alleen directe gevolgen hebben maar ook blijvende gevolgen. Een briefschrijver op de website van Alice Miller benadrukt dit:

“A dose response relationship between abuse and psychological damage is even better established, but a lot of researchers and people in general argue for a threshold model... all abuse have an impact! … Blocking out this information is totally irrational but understandable out of being a victim of child abuse ourselves.”

Veel mensen negeren dat discipline en fysieke straffen laesies in het jonge brein veroorzaken, een ontkenning die voortkomt uit ons eigen verleden als slachtoffer van kindermisbruik/mishandeling. We bestempelen dit gedrag niet als mishandeling, ondanks dat kinderen het ervaren als terreur en een ontwaarding van hun authentieke zelf.

Volgens Alice Miller moet dat emotionele redenen hebben die heel diep in alle mensen zijn verankerd. En men zou in ernstige psychische nood komen te verkeren als men zou moeten zien dat discipline angst wekt bij het kind, pijn veroorzaakt, woede en haatgevoelens. Het kind onderdrukt  deze emoties uit angst dat de volwassene anders zijn liefde inhoudt.

Zelfreflectie
De overdracht en projectie van niet-doorleefde vroegkinderlijke gevoelens blijft een hardnekkig probleem, zolang we de wreedheid niet willen zien van wat onze ouders ons als heel klein kind hebben aangedaan. Zij die de moed hebben om het onrecht en de wreedheid van dat handelen onder ogen te zien en te voelen, hebben afweermechanismen zoals projectie echter niet meer nodig om oude gevoelens uit het bewustzijn te weren.

Via introspectie en zelfreflectie kan men gemakkelijker verbinding maken met de intense gevoelens van het jonge kind dat men ooit was — gevoelens die vaak vele malen intenser zijn dan die van een volwassene — en de vroegste ervaringen doorgronden. Dit kan op elk moment gebeuren. Bijvoorbeeld tijdens een interview over een onderwerp dat ons na aan het hart ligt, of wanneer we oog in oog staan met een kind dat herinneringen oproept aan onze eigen jeugd. Door deze eigen emoties strikt gescheiden te houden van die van het kind en ze zelf te verwerken, beschermen we het kind tegen onze oude projecties, verlangens en verwachtingen, in plaats van deze in hen te planten.

Alice Miller schreef dat 'de ontdekking van de gevoelens van het hele kleine kind dat we eens waren, ons begrip voor hem of haar zal verdiepen.' Zowel bij mezelf als bij cliënten heb ik ervaren dat het ontdekken en doorvoelen van deze vroegste emoties — die zelfs teruggaan tot in de baarmoeder — voorheen onbewuste projecties aan het licht brengt. Hiervoor is een wezenlijke belangstelling nodig in wie we werkelijk zijn. We kennen onszelf immers pas echt als we in contact staan met de oorspronkelijke gevoelens van het kind dat we waren. Sluiten we ons daarvoor af, dan weigeren we te weten hoe dat kind destijds leefde, wat het voelde en waar het naar verlangde. En zoals Miller stelt: “If we don’t make the connection with the emotions of our very early experiences, we will continue to look again and again for new objects of our transference, but our body will pay the price of our unresolved fear, or our children will have to pay it, or both.”

 

 

 

 

Definities en concepten

  • Projectie: Een afweermechanisme dat ons beschermt tegen pijnlijke herinneringen die veel angst oproepen, door ze uit het bewustzijn te weren. Het is een manier om eigen (ontkende) gevoelens over te dragen en aan een ander toe te schrijven.
  • Kindermishandeling, misbruik en verwaarlozing: Alle niet-empathische handelingen waarbij een kind wordt gebruikt voor de behoeften en wil van de volwassene, zonder dat de wil, de interesse of de instemming van het kind worden gerespecteerd.
  • Relevante diagnoses in deze context: Oppositional Defiant Disorder (ODD) en Attention Deficit Hyperactivity Disorder (ADHD).

Gebruikte literatuur

  • Berkeljon, S. (2021, 14 april). Beatrijs Smulders: ‘Je kunt véél beter niet neuken, dan slecht neuken’. De Volkskrant. Geraadpleegd via Volkskrant
  • Europees Geneesmiddelenbureau (European Medicines Agency - EMA).
  • Miller, A. (1991). Banished Knowledge: Facing Childhood Injuries. London: Virago Press.
  • Miller, A. (1992). Gij zult niet merken: tachtig jaar psychoanalyse (4e druk). Houten: Unieboek.
  • Miller, A. (1997). Het drama van het begaafde kind: op zoek naar het ware zelf (20e druk). Houten: Van Holkema & Warendorf / Unieboek.
  • Miller, A. (1997). In den beginne was er opvoeding (10e druk). Houten: Unieboek.
  • Miller, A. (2004). De opstand van het lichaam. Houten: Unieboek.
  • Miller, A. (2007, 21 juni). Seeing the parents as the problem. Geraadpleegd via Alice Miller
  • Miller, A. (2007, 27 september). All child abuse causes brain damage. Geraadpleegd via Alice Miller
  • Miller, A. (2008, 14 oktober). About Transference. Geraadpleegd via Alice Miller
  • Miller, A. (2009). From Rage to Courage: answers to readers’ letters. New York: W. W. Norton & Company.
  • Miller, A. (2009). Vrij van Leugens: oorzaken en gevolgen van kindermishandeling. Amsterdam: Het Spectrum.

 

 

 

Tags:

Picture 44.jpg

Laatste artikelen

Archief

Platform onze kindertijd © Rupz | Inloggen beheerder.