Geredigeerd op 11 juni 2026
In mijn inspanningen om aandacht te vragen voor de gewelddadige, ongevoelige en niet op empathie berustende manier waarop we in ons land met kinderen omgaan — wat bovendien strijdig is met de Universele Verklaring van de Rechten van het Kind — benaderde ik vele instanties. Ik richtte mij tot instellingen die zich bezighouden met opgroeien, gezondheid en de omgang met kinderen, zoals de Centra voor Jeugd en Gezin, gemeenten, Gemeentelijke Gezondheidsdiensten en de Inspecties voor de Jeugdzorg en Gezondheidszorg. Daarnaast schreef ik naar individuele pedagogen die regelmatig in de media verschijnen, en naar redacties van tijdschriften zoals Ouders van Nu, Kiind en JeugdenCo. Met mijn brief aan het Centrum voor Jeugd en Gezin Maasland bracht ik hen op de hoogte van het trieste lot van de meeste kinderen in ons land. Tot slot benaderde ik het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en de Stichting Opvoeden.nl, die de overheidsinformatie onder de instellingen verspreidt.
De mededelingen in de brief over kindermisbruik als een geldige manier van opvoeden, en over het verstrekken van verkeerde informatie aan ouders en andere hulpzoekenden, stuitten kennelijk op grote weerstand. Reacties bleven uit en er volgde een diep stilzwijgen. Eén Centrum voor Jeugd en Gezin liet me echter weten dat hun teksten over zorg en opvoeding afkomstig zijn van de Stichting Opvoeden.nl. Dit is een initiatief van het ministerie van VWS en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) om één database te ontwikkelen met eenduidige, gevalideerde informatie over opvoeden, opgroeien en gezondheid. Omdat het centrum zelf geen wijzigingen doorvoert in landelijke teksten, hadden zij mijn brief doorgegeven aan de redactieraad van Stichting Opvoeden.nl. Die stichting reageerde dat zij besloten hadden niet inhoudelijk op mijn brief in te gaan. Mediapedagoog Marina van der Wal schreef me dat het er volgens haar op leek dat ik haar website niet goed had gelezen; in de basis waren we het er immers over eens dat kinderen het recht hebben om gehoord te worden.
Ik antwoordde dat ik het juist niet met haar eens was. In haar adviezen maakt zij namelijk misbruik van die woorden. Zo schrijft ze: “Je krijgt nieuwe kleren als je je goed verzorgt.” Daarmee gebruikt ze manipulatie, wantrouwen en het onthouden van liefde; methoden uit de zwarte pedagogiek. Een ander voorbeeld is wanneer een puber “rotwijf” tegen zijn of haar moeder zegt. Zij interpreteert dit als een behoefte om los te komen of om het zelfbeeld te spiegelen. Ze ziet het echter niet als een reactie van woede en pijn over het onrecht dat het kind mogelijk al zijn hele leven ervaart — het onrecht dat zijn wil ondergeschikt is aan die van de moeder en dat hij niet in zijn pijn gehoord wordt. Ook geeft zij met termen als “hangen op de bank” geen blijk van respect voor de waardigheid van het kind.
Haar adviezen zijn doordrenkt met methoden zoals manipulatie, wantrouwen, listigheid, camouflage, spot en het onthouden van liefde. Volwassenen treden hierin op als machthebbers, voor wie de ware gevoelens van het kind een gevaar vormen. Dit is een houding die ik heel vaak tegenkom op het internet en in de literatuur. Weinig mensen valt dit op, omdat we deze omgangsvormen al van jongs af aan met de paplepel ingegoten hebben gekregen.
Uit de adviezen van Marina blijkt nergens dat zij haar eigen ware gevoelens als kind heeft kunnen ontplooien. Tot die gevoelens hadden immers ook de verontwaardiging en woede moeten behoren over het feit dat ze is voorgelogen en gemanipuleerd. Nu ontlaadt deze onbewuste frustratie zich in haar adviezen, waarmee ze herhaalt wat haar vroeger zelf is overkomen. Juist het gebrek aan empathie voor de behoeften van het kind verraadt haar eigen vroege jeugdtrauma. Als zij in staat zou zijn zich levendig te herinneren wat zij destijds voelde, zou dat de noodzakelijke gevoeligheid brengen om met het kind te sympathiseren. Wanneer zij zich bevrijdt van de mechanismen waarmee haar eigen ouders haar bejegenden, zal de invloed van de zwarte pedagogiek uit haar adviezen verdwijnen. Pas dan kan zij geheel aan de kant van het kind gaan staan. Met zo'n houding heeft een kind veel meer kans op de volledige ondersteuning van zijn ouders.
Het zwijgen op mijn brief is begrijpelijk. De informatie heeft immers betrekking op de eigen onderdrukte ervaringen uit de vroege jeugd; de feiten kunnen als gevaarlijk en problematisch worden ervaren. Het is een ervaring die de lezer verontrust en angst oproept, omdat men leest over de eigen, persoonlijke, verdrongen geschiedenis. Meestal is men zich van deze angst niet bewust. Daarom wijst men het onderwerp — kindermisbruik onder het mom van discipline — van de hand. Men is dan de mening toegedaan dat het mijn eigen probleem is, of dat van dr. Alice Miller naar wie ik dikwijls verwijs. De angst voor de feiten is zeer groot en bedreigend aanwezig. Maar het is juist de waarheid van die feiten die ons kan helpen om de oude angst uit onze kindertijd te overwinnen. Want ook al zijn de ouders vaak al jaren dood, de angst van het kleine kind is bij de meeste mensen nog altijd levend aanwezig. Ik denk dat als jeugdwerkers, wetenschappers en andere betrokkenen zich konden herinneren hoe zij zich vroeger als klein meisje of kleine jongen voelden, zij de noodzakelijke gevoeligheid zouden hebben om zich in te leven in de benarde positie van kinderen. Dan zouden zij onvoorwaardelijk de kant van het kind kiezen, om zo het kind in zichzelf niet langer te verloochenen.
Liever verschuilt men zich achter de leugenachtige bewering dat hun informatie en werkwijze berusten op gevalideerde kennis over hoe een kind benaderd wil worden, zoals vermeld staat op de website van Stichting Opvoeden.nl. Maar iedereen die kan voelen, weet dat dit niet waar is. Het zwijgen over de stem van het kind, en het kind leren hoe het zijn authentieke emoties moet onderdrukken en zijn behoeften moet ontkennen, heeft immers niets met deugdelijk gevalideerde informatie te maken. Daarmee wordt het werkelijke lijden van kinderen simpelweg ontkend.
De meeste van deze zogenaamde gevalideerde metingen berusten op verkeerde vooronderstellingen. Ze zijn in feite gebaseerd op het vierde gebod — dat we onze ouders moeten eren — en hebben geen oog voor de cruciale biologische behoefte van het lichaam om te mogen vertrouwen op de eigen waarneming, gevoelens en inzichten. Klakkeloos verwerkt men in deze studies de manipulatieve omgangsvormen van de zwarte pedagogiek. Feiten worden verdraaid, met misleidende en verwarrende communicatie als resultaat. "We have learned," schrijft Alice Miller op bladzijde 45 van Banished Knowledge, "to feel guilty about our desires and needs, and we introduce this fundamental perception into our theories." Deze verwarring heeft tot gevolg dat het kind niet het subject mag zijn, maar het object moet blijven van een pedagogiek die nog altijd wordt beheerst door middeleeuwse projecties van het kwaad.
Telkens weer stel ik vast hoe er over de feiten en de gevolgen van dertig jaar kindermisbruik wordt gezwegen, of hoe deze informatie wordt gebagatelliseerd. Dit gebeurt omdat de onderzoeker meet vanuit zijn eigen onderdrukte geschiedenis. Op deze manier behoudt hij of zij de macht en controle over het kind; de macht die hij vroeger als klein kind zelf aan zijn ouders moest afstaan. De toegang tot de eigen emoties uit de kindertijd is afgesloten, wat de persoon blokkeert in zijn empathie voor het kind. Zo iemand zal nooit in staat zijn om het kind te vertegenwoordigen, maar zal juist de kant van de wrede ouders kiezen, simpelweg omdat hij niet in staat is te voelen.
Aan de behoeften van kinderen moet worden voldaan met empathie, ondersteuning en oprechte liefde, gekoesterd in een nauwe verbinding met de zorgdragers. Dan vult het brein zich met liefdeshormonen die gevoelens reguleren en de omstandigheden creëren waaronder een kind tot bloei kan komen — in plaats van met de stresshormonen die worden geproduceerd onder discipline en ander ongevoelig gedrag. Het zijn wetenschappelijk bewezen feiten dat kinderen extreem gevoelig zijn voor stress en angst.
De wrede, stressveroorzakende behandeling die de Centra voor Jeugd en Gezin aan ouders adviseren, negeert de bewijzen uit bijna dertig jaar wetenschappelijk onderzoek. Al sinds Martin Teicher zijn bevindingen publiceerde, weten we hoe groot de gevolgen van kindermisbruik zijn op het hele verdere leven. Niet alleen het slaan van kinderen beschadigt de ziel; harde discipline doet dat ook, omdat het kind gedwongen wordt de authentieke gevoelens die zijn persoonlijkheid vormen te onderdrukken. Men kleineert en ontkent de cruciale informatie dat het kinderbrein empathie nodig heeft in plaats van discipline. Door deze feiten weg te wuiven, beschermen veel onderzoekers en jeugdzorgwerkers hun eigen innerlijke verwarring over het misbruik uit hun eigen kindertijd. Het lijkt erop dat zij deze schadelijke traditie onder geen beding willen opgeven.
Tags:

Laatste artikelen
Een poging me de mond te snoeren
Hoe het verlies van mijn harige vriend herinneringen triggerde van het hele kleine kind in mij
Brigitte Oriol’s ontmoeting met Alice Miller
Klara's poging tot eerherstel