Het (on)vermogen verontwaardigd te zijn over de moord op de ziel

Gepubliceerd door Oliane op 24 juli 2017

 Geredigeerd op 12 juni 2026

 

“As long as people like doctors, therapists, and members, of the media – people invested with great responsibility for others – continue to deny or minimize barbarism toward children, we must reveal how and to what extent they do so. Both must be condemned.” – Alice Miller

 

 

Het (on)vermogen verontwaardigd te zijn over de moord op de ziel

Bijna dagelijks verschijnen er in de media berichten over afschuwelijke gebeurtenissen. Denk aan de moord op twee 14-jarige meisjes door twee minderjarige jongens, een meisje van 10 dat dieren doodt, een zelfmoordaanslag, de mishandeling van paarden of een vader die zijn kinderen ombrengt. Wat me daarbij opvalt, is dat we wel ontsteld zijn over de misdaad zelf, maar dat de berichtgeving vrijwel nooit verontwaardiging of ontzetting toont over wat de dader als klein, hulpeloos en machteloos kind moet hebben doorstaan om tot zulk een gruweldaad te komen.

Ik bedoel hiermee niet dat we medelijden moeten hebben met volwassen kwelgeesten. Alleen als kind waren zij immers een hulpeloos slachtoffer; als volwassene hadden zij een keuze. Maar zonder begrip voor het kind dat zij ooit waren, kunnen we het geweld in onze maatschappij niet doorgronden. Dit begrip is noodzakelijk om deze problemen daadwerkelijk aan te pakken en te voorkomen dat ze in de toekomst opnieuw ontstaan.

Geweld leren we thuis
Telkens wanneer ik na een gewelddadig incident de media volg, valt me het zwijgen op van journalisten, deskundigen en politici over de brutaliteit die kinderen thuis van hun ouders te verduren krijgen. Hoewel wetenschappelijk onderzoek eenduidig aantoont dat criminaliteit vaak traumatische wortels heeft in de vroege kindertijd – de periode waarin het brein zich vormt – lijkt er een stilzwijgend taboe te rusten op het benoemen van de gezinssituatie als oorzaak. Hiermee wekt men onterecht de indruk dat afschuwelijke daden, zoals de moord op de twee jonge meiden van 14, losstaan van traumatische ervaringen in de kindertijd van de daders.

Maar het is al jaren bekend dat verwondingen van de kinderziel het gevolg zijn van zeer vroege tekorten in de communicatie tussen het kind en zijn ouders. In The Ignorance or How We Produce Evil stelt Alice Miller dat het ontbreken van liefde en vertrouwen in de vormende jaren van het brein de ‘common denominator’ (de gemene deler) is van alle dictators die zij bestudeerde. Miller schrijft dat het resultaat hiervan is: “...that these children will tend to glorify the violence inflicted upon them and later to take advantage of every possible opportunity to exercise such violence, possibly on a gigantic scale.”

Ik vind het dan ook hoogst verbazingwekkend om in de Volkskrant te lezen dat Isabeth Mijnarends, landelijk jeugdofficier van justitie, stelt dat er bij geweldsdelicten met jonge daders geen gemene deler te vinden is. Volgens haar kan “een jonge pleger van een ernstig delict net zo goed uit een ‘voorbeeldig gezin’ komen.” Hoewel ze hier direct aan toevoegt: “Al wijst de praktijk vaak anders uit.”

In een artikel van Juliaan van Acker lees ik dezelfde gedachte, namelijk dat er jonge daders zijn die in zogenaamde ‘normale’ gezinnen opgroeiden. Wat deze deskundigen precies onder een normaal of voorbeeldig gezin verstaan, wordt me niet duidelijk. Ik vermoed dat zij doelen op gezinnen die aan de oppervlakte niet ontwricht lijken door een echtscheiding, verslavingen, geldproblemen of fysiek geweld. Maar dat zijn enkel uiterlijke omstandigheden; het ontbreken daarvan garandeert niet dat een kind emotioneel veilig opgroeit. Zulke oppervlakkige kenmerken zijn dan ook niet de factoren die iemand ertoe drijven om een ander te verkrachten, te vermoorden of op andere manieren te beschadigen.

Het is mij bekend dat de forensische psychiatrie de opvatting deelt dat sommige criminelen uit 'normale' gezinnen stammen. Het is echter volstrekt onmogelijk dat een kind dat opgroeit in een sfeer van liefde, respect, begrip, vriendelijkheid en affectie, er later toe wordt gedreven om een ander, zwakker persoon pijn te doen of van het leven te beroven. Een dergelijk kind draagt immers ervaringen van tederheid, bescherming en onvoorwaardelijke liefde met zich mee, die diep in het lichaam zijn verankerd. Deze positieve basis blijft een heel leven lang actief.

Hieruit volgt dat een kind dat aan het begin van zijn leven liefde en vertrouwen heeft gekend, fundamenteel andere eigenschappen ontwikkelt dan een kind dat is blootgesteld aan verwaarlozing, verachting, geweld en misbruik, zonder dat iemand in zijn omgeving zijn vitale behoefte aan vriendelijkheid en affectie vervulde. De vroege ervaring van liefde vormt een krachtig fundament, dat voorkomt dat iemand op volwassen leeftijd vervalt in criminaliteit, depressie, verslaving of suïcidaal gedrag.

De gedachte dat een crimineel uit een normaal gezin kan komen – waarbij ik onder 'normaal' een gezin versta waarin een kind werkelijk beschermd en geliefd wordt – vormt een denkblokkade. Deze blokkade dient er louter toe om de eigen ouders te beschermen. Ze verhindert ons om nieuwe inzichten toe te laten en de broodnodige verontwaardiging te voelen over het leed dat kinderen wordt aangedaan.

Dit concept doet denken aan een langspeelplaat die bij elke schokkende gebeurtenis telkens hetzelfde deuntje herhaalt: “Het was voor ons eigen bestwil dat we vernederd werden.” Die plaat blijft hangen omdat er een kras op zit: de verwarrende informatie die aan het begin van ons leven in ons brein is vastgelegd. Het is een emotionele blokkade, ontstaan uit vroegkinderlijke verwarring over wat echte liefde is. De gedachteconstructie van het ‘normale gezin’ moet simpelweg voorkomen dat we onder ogen zien dat we zelf ooit vernederde kinderen waren.

Psychische moord
Door te zwijgen over de feiten van kindermishandeling, hoeft men de vreselijke daden om ons heen niet in verband te brengen met trauma en verwaarlozing in de vroege kindertijd. Zo blijft de gemene deler onzichtbaar. Het ontkennen en minimaliseren van kindermishandeling zorgt ervoor dat we de stem van het kleine, machteloze, gekwelde kind – dat de dader ooit was – niet hoeven te horen. Zo kunnen we blijven ontkennen dat deze verschrikkelijke daden het directe gevolg zijn van de psychische moord op de ziel. Maar om de stem van dat kind te kunnen horen, moet men eerst de eigen denkblokkades opheffen.

Deze versterving van de ziel, het ware Zelf van het kind – James Gilligan spreekt hierbij van de ‘death of the Self’ – is het rechtstreekse gevolg van de vernederingen en meedogenloze uitbuiting die het kind dagelijks, jarenlang moest ondergaan. Het resultaat is een totaal gebrek aan authentieke gevoelens, wat vroeg of laat tot destructie leidt.

Dit is een ervaring die ik herken uit mijn eigen kindertijd, en die ik veelvuldig heb teruggehoord van cliënten zodra zij hun ervaringen konden voelen en articuleren: zo’n versterving is gruwelijk wreed. Het kind kan niet leven naar de eigen gevoelens en behoeften, en kan de eigen mogelijkheden niet ontwikkelen. Het ware Zelf verwordt tot een leeg omhulsel, opgevuld met de projecties van de ouders. Dit proces gaat gepaard met een overweldigende pijn. Het lichaam verdooft deze pijn met endorfine en gebruikt dissociatie om zich los te maken van de oorspronkelijke oorzaak. Dit mechanisme helpt het kind om de hel te overleven – een hel waarin het puur fungeert als uitlaatklep voor de opgekropte haatgevoelens van de ouders, die weer voortkomen uit hún onverwerkte kindertijd.

In een destructieve omgeving moet het kind zijn gezonde, natuurlijke gevoelsreacties op het onrecht, zoals pijn en woede, volledig onderdrukken. Het zijn juist deze weggestopte, traumatische ervaringen die onbewust in het lichaam actief blijven. Vroeg of laat vinden deze onderdrukte gevoelens van woede, wanhoop, hulpeloosheid, angst en pijn een uitweg. Dit uit zich in destructie of zelfdestructie, zoals moord, depressie, verslaving, prostitutie of ernstige lichamelijke aandoeningen.

(Wie meer wil leren over de dynamiek van kindermishandeling en de gevolgen daarvan, kan de boeken van Alice Miller lezen: 'For Your Own Good', 'Breaking Down the Wall of Silence' en 'Banished Knowledge'.)

Het kind kan niets anders doen dan zich aanpassen aan de behoeften van de ouders. Het is deze overlevingshouding die een mens ontwikkelt als gevolg van de kwellingen die hij in zijn kindertijd, heel alleen, moest verduren. Het kind toont louter nog wat er van hem verlangd wordt en gaat daar volledig in op. Als gevolg hiervan zien we jongeren en volwassenen die in hoge mate van zichzelf vervreemd zijn en afgesneden geraakt zijn van wie zij authentiek zijn. Het zijn mensen die als kind geen eigen gevoelens en behoeften mochten hebben, en er dus ook geen innerlijke zekerheid aan konden ontlenen.

Dit zijn exact de jongeren die jeugdofficier Mijnarends, advocaat Tim Vos en anderen op straat en in de verhoorkamer aantreffen. Maar in plaats van het destructieve gedrag van de ouders in de media ter discussie te brengen, blijft men hen hardnekkig met stilzwijgen verdedigen. Blind voor de causale verbanden achter de creatie van sadisme, schrijft men in de krant dat het 'de verbeelding te boven gaat' dat kinderen in staat zijn om andere kinderen te misbruiken of zelfs van het leven te beroven.

Verwarring overdragen
Zo lees ik in de krant dat Mijnarends meent dat kinderen als een onbeschreven blad ter wereld komen. Niets is echter minder waar: al in de baarmoeder kan de foetus zowel tederheid als wreedheid ervaren. Elektronische metingen hebben dit onomstotelijk aangetoond. Juist daar, in de baarmoeder, begint de geschiedenis van het kind. Dit zijn ervaringen die als eiwitten worden gecodeerd, in de lichaamscellen worden opgeslagen en het hele verdere leven actief blijven.

Alice Miller schrijft in dit verband in The Feeling Child dat een kind de baarmoeder verlaat met een eigen geschiedenis, maar voegt daaraan toe: “...he doesn’t come with projections. He is born innocent and ready to love. And the child can love — much more than we grown-ups can. This idea of the child as a loving being meets so much resistance because we learned to defend our parents and to blame ourselves for everything they have done.”

Het zijn precies deze projecties van de opvoeders op het kind die het aangeboren vermogen tot empathie en liefde beschadigen. Het kind heeft geen andere keuze dan de pijn en de emoties die hieruit voortvloeien, diep te onderdrukken en te verdringen. Maar zoals helaas gebruikelijk is in de mediaberichtgeving, doet deze professional geen waarheidsgetrouwe uitspraken. In plaats daarvan draagt zij haar eigen verwarring over op het grote publiek.

In de krant draagt Mijnarends nog meer verwarrende informatie over als zij zegt dat de praktijk ‘vaak’ anders uitwijst als het gaat om het plegen van ernstige delicten. We kunnen het woord ‘vaak’ namelijk met zekerheid vervangen door ‘altijd’. Want er is geen dader te vinden die niet zelf eens slachtoffer is geweest van kindermisbruik. We kunnen dat bijvoorbeeld lezen in het boek Violence, Our Deadley Epidemic and Its Causes van psychiater James Gilligan. Hij toont aan dat élke dader eens zelf slachtoffer was van vernedering; verbaal, emotioneel, psychologisch en fysiek en de ‘death of the Self’ ervaren hebben toen ze nog een klein kind waren als gevolg van de jarenlange vernederingen. Ook in mijn werkzaamheden als psycholoog ben ik nog nooit een persoon tegengekomen met psychische klachten die niet als kind vernederd was.

Ook Juliaan van Acker – die de waarheid over de wreedheden die zijn cliënten als kind moesten verduren nota bene zou moeten kennen uit zijn veertigjarige ervaring met misdadigers – verdraait de feiten en verbergt de realiteit. Hij móét immers weten dat iemand niet vanuit de hemel bedeeld wordt met wreedheid, maar dat dit wordt meegegeven door ouders. Net als Mijnarends houdt hij vast aan de hardnekkige gedachte dat er daders zijn die uit 'normale' gezinnen komen, waardoor hun daden los zouden staan van vroegkinderlijke mishandeling.

Van Acker beweert dat sommige daders als kleuter al agressief waren en louter omwille van dat moeilijke gedrag thuis werden mishandeld of verwaarloosd. Volgens hem is hun agressie dus niet het gevolg van de manier waarop de ouders met het kind omgingen. Deze absurde bewering toont een stuitende ongevoeligheid jegens het kind en legt het onvermogen bloot om de situatie te bekijken vanuit het perspectief van het lijdende kind. Zonder eigen diepgaand lijden wordt een kind immers niet agressief, en later geen moordenaar. Dat zijn de harde feiten.

Verontwaardiging in therapie
Van Acker stelt in de krant dat therapie zinloos is voor jonge daders die uit normale gezinnen komen, zich eenmalig vergrijpen en bij wie het risico op recidive ontbreekt. Met deze uitspraak bagatelliseert hij de kwellingen die kinderen van hun ouders moeten verduren; hij geeft hiermee geen enkel blijk van medeleven met het lijdende kind. Net als de meeste psychiaters en psychologen blijft hij ongevoelig voor het leed dat kinderen wordt aangedaan. Hij toont geen enkele interesse om de diepe pijn van een vernederd, geslagen en uitgebuit kind werkelijk mee te voelen.

De gedachteconstructie van het 'normale gezin' moet Van Acker en andere professionals een beschermend schild bieden tegen het voelen van de pijn uit hun eigen, onderdrukte kindertijd. Door vast te houden aan de illusie van een normaal gezin, vermijdt de behandelaar de verontwaardiging over het sadisme van ouders en de perversiteiten die op kinderen worden uitgeleefd. Hij beschermt louter zichzelf tegen het voelen. Deze verloochening van de eigen geschiedenis draagt er direct toe bij dat kindermishandeling in de praktijk niet wordt herkend.

Therapie kan dan ook nooit zinvol zijn voor een voormalig slachtoffer van kindermishandeling als de behandelaar is afgesneden van het kind dat hij zelf ooit was, en geen ontzetting kan voelen. In zo'n setting blijft de cliënt onherroepelijk in zijn kinderlijke angst gevangen zitten. Hij zal het niet durven om zijn verontwaardiging en woede – die juist de normale, gezonde reacties zijn op het onrecht dat hij als klein kind ervaarde – tot expressie te brengen.

Wanneer een voormalig slachtoffer geholpen wordt om de woede en pijn over de brute daden van zijn ouders bewust te ervaren, helpt dat nieuwe moorden, verkrachtingen, depressies en zelfdodingen te voorkomen. Het is mijn uitgesproken ervaring dat wanneer iemand zich bewust wordt van de pijn en woede van het kleine kind dat hij ooit was, de behoefte om zichzelf of een ander van het leven te beroven vrijwel volledig verdwijnt. Om dat te bereiken, moeten we echter wel onze oprechte verontwaardiging durven toelaten over de schandalige behandeling van het kind dat de volwassene ooit was – een behandeling waarover hij nu dikwijls vertelt zonder enige emotie te tonen.

Ik deel de ervaring met Alice Miller wanneer zij in Vrij van leugens schrijft dat er vroeg of laat een kentering optreedt bij de cliënt zodra de therapeut al aan het begin van de gesprekken zijn of haar partijdigheid toont. “Deze openhartigheid van de getuige,” stelt Miller, “kan een proces van bevrijding op gang brengen van de sterke emoties uit de kindertijd, die jarenlang onderdrukt en opgekropt waren.”

Het is bovendien een onverantwoordelijke en gevaarlijke claim van Van Acker om te beweren dat therapie voor deze groep zinloos is. Waarom? Omdat deze jonge daders met een enorme vergeldingsdrang leven. Als zij niet worden geholpen om via blootleggende technieken toegang te krijgen tot hun vroegste emoties, moeten zij hun ernstige verwondingen blijven onderdrukken. Hierdoor is de kans dat er in de toekomst nieuwe slachtoffers vallen levensgroot. Zelfs als zij zich later niet opnieuw fysiek aan anderen vergrijpen, dragen zij hun trauma’s onbewust over op hun eigen kinderen. Zo ontstaat er een nieuwe keten van geweld die juist voorkomen had kunnen worden.

Therapie kan pas bijdragen aan de innerlijke bevrijding van onderdrukte en opgekropte emoties, wanneer de therapeut doordringt tot de pijn die wordt geblokkeerd door de schuldgevoelens van het voormalige kind. Daarvoor is het noodzakelijk dat de behandelaar zichzelf eerst heeft bevrijd van de idealisering van de eigen ouders. Pas dan kan hij oprechte verontwaardiging voelen en aan de cliënt tonen over het destructieve gedrag van diens ouders. Zolang men echter de eigen trauma's verloochent, zal men de verwondingen van de ziel bij de ander nooit herkennen.

Ernstige nalatigheid
De onderdrukking van de waarheid over de wreedheden die kinderen worden aangedaan, zie ik, zoals gebruikelijk, ook terug in andere kranten. In het NRC bijvoorbeeld is er geen spoor van verontwaardiging te bekennen. Noch bij de journalisten, noch bij de geciteerde experts klinkt er compassie door over wat de daders zelf als kind hebben moeten doorstaan; over de kindertijd van de geweldplegers wordt met geen woord gerept.

Criminoloog en forensisch psycholoog Marieke Liem verzuimt eveneens te benoemen wat de destructieve gevolgen zijn van kindermishandeling en verwaarlozing – zoals structureel slaag, verachting en het systematisch frustreren van de vitale behoeften van het kind. Wanneer journalisten haar vragen waarom een vader zijn kinderen doodt en vervolgens zichzelf van het leven berooft, blijft de cruciale impact van diens eigen vroege trauma volledig onbesproken.

Als expert zou zij aan de media en het publiek kunnen uitleggen dat het bij een vader die zijn kinderen en daarna zichzelf doodt, niet gaat om een ‘ultiem wijzende vinger’ in de trant van: “Je hebt niet alleen het leven van de kinderen verwoest, maar ook dat van mij.” Zulke beweringen vormen immers slechts de bewuste gedachten, die uitsluitend standhouden zolang de dader is afgesneden van zijn onbewuste, pijnlijke kindertijd die hij nooit heeft doorleefd.

Liem had kunnen verduidelijken dat wanneer een vader zijn eigen kinderen ombrengt, hij zich in wezen wreekt voor de ellende die hijzelf als kind heeft moeten verduren. Daarbij had zij kunnen benadrukken dat de vader onmiskenbaar schuldig is – hij was immers geen kind meer en had een volwassen keuze. Tegelijkertijd had zij de kern moeten blootleggen: wanneer deze man de gelegenheid had gekregen om zijn oude, vroegkinderlijke emoties te doorleven, zou de behoefte om zijn kinderen en zichzelf van het leven te beroven vrijwel zeker zijn weggevallen. In vrijwel alle gevallen van kindermoord en suïcide gaat het immers om niet-doorleefde woede op de eigen ouders, die zich destructief ontlaadt op de kinderen en op het eigen Zelf.

Professionals die een grote verantwoordelijkheid dragen voor anderen – zoals Marieke Liem, Juliaan van Acker en Isabeth Mijnarends – zouden deze essentiële informatie over de traumatische oorzaken van criminaliteit bij elke gelegenheid moeten verspreiden. Het betreft hier informatie die is gebaseerd op de harde feiten van het causale verband tussen vroegkinderlijk trauma en het risico op hersenbeschadiging. Hoewel het voor de hand ligt, lijkt men echter niet te willen inzien dat het fysiek of psychisch 'tuchtigen' en disciplineren van kinderen deze diepe beschadigingen veroorzaakt.

“Het verzwijgen en bagatelliseren van deze kennis, en het onjuist informeren van de media, het publiek en de rechtbanken,” schrijft Alice Miller in Vrij van leugens, “is weliswaar geen strafbaar feit, maar het is in ieder geval een ernstige nalatigheid.” Met deze woorden ben ik het volkomen eens. Om toekomstige misdaden werkelijk te voorkomen, mogen we simpelweg niet langer zwijgen over de overvloed aan feiten die bekend zijn over de verwoestende effecten van kindermishandeling en verwaarlozing op lichaam en geest.

Weerstand
Kennelijk vindt men de eigen onderdrukking van vroegkinderlijke vernederingen heel normaal. Ieder voelend mens zou immers onmiddellijk verontwaardiging moeten ervaren over destructief ouderlijk gedrag wanneer er zich weer een vreselijk incident voordoet. Deze opvallende onverschilligheid voor het lijden van kinderen toont voor mij aan dat de meeste mediamakers, deskundigen en andere professionals zelf ooit mishandelde en verwaarloosde kinderen waren. Zij leven nog altijd vanuit hun onderdrukte geschiedenis en overlevingsmechanismen, waarin zij hun ouders idealiseren. De feiten over kindermishandeling en verwaarlozing moeten welhaast heel beangstigend zijn voor de meeste mensen; vandaar het hardnekkige stilzwijgen. “Maar juist deze feiten,” schrijft Alice Miller in een van haar boeken, “kunnen ons helpen de angst voor onze ouders te overwinnen.”

Het is vanwege deze diepgewortelde, oude angst dat mijn woorden weerstand kunnen opwekken bij de lezer. Niemand wil immers herinnerd worden aan de oorspronkelijke gevoelens van onmacht, hulpeloosheid, beschaming, angst, woede en pijn over de brute behandeling die zij als kind van hun ouders kregen – een behandeling waartegen zij zich toen niet konden verzetten. Toch is het van cruciaal maatschappelijk belang om deze innerlijke weerstand bij onszelf te onderzoeken. Het is namelijk exact deze blokkade die ons verhindert om onze gezonde verontwaardiging te uiten. Dit heeft destructieve maatschappelijke gevolgen, omdat het ons blind houdt voor de causale verbanden tussen vroegkinderlijk trauma en latere gewelddadigheid, evenals psychische en lichamelijke ziekten. Alice Miller waarschuwt dat “als we niet leren deze verbanden te doorschouwen en de ouders te hinderen bij de uitoefening van hun perverse opvoedingspraktijken, de toekomstige mensheid aan haar verbluffende onwetendheid ten onder zal gaan.” Ik hoop dat deze gefundeerde woorden bijdragen aan een dieper bewustzijn van de misdaden die dagelijks tegen kinderen worden begaan

 

 

 

Literatuurlijst

  • Bruin, E. de (2013, 21 mei). De vraag: waarom? NRC. Geraadpleegd van https://www.nrc.nl/nieuws/2013/05/21/de-vraag-waarom-12659216-a1362961
  • Damasio, A. R., Sapolsky, R. M., LeDoux, J. E., Pert, C., e.a. (Hersenonderzoekers naar de biologische impact van trauma op cel- en breinniveau).
  • Gilligan, J. (2003). Shame, Guilt, and Violence. Social Research, 70(4), 1149-1180.
  • Gunnar, M., Kolk, B. van der, Teicher, M., e.a. [8] (Onderzoek naar de causale verbanden tussen vroegkinderlijk trauma en neurologische beschadigingen).
  • Kuiper, M. & Koelewijn, J. (2017, 8 juni). Moordende jongeren, dat is niet uitzonderlijk. NRC. Geraadpleegd van https://www.nrc.nl/nieuws/2017/06/08/moordende-jongeren-dat-is-niet-uitzonderlijk-10971148-a1562082
  • Miller, A. (2009). Vrij van leugens: Oorzaken en gevolgen van kindermishandeling. Houten: Het Spectrum.
  • Misérus, M. (2017, 11 juni). Zaak Savannah en Romy werpt vraag op: hoe kan een kind in een moordenaar veranderen? De Volkskrant. Geraadpleegd van https://www.volkskrant.nl/binnenland/
  • Acker, J. van [6] (2017, 10 juni). De jonge moordenaars van Savannah en Romy: 'Sommigen leveren geen verder gevaar op voor de samenleving'. The Post Online (TPO). Geraadpleegd van http://politiek.tpo.nl/2017/06/10/jonge-moordenaars-savannah-en-romy/

 

 

Tags:

Picture 44.jpg

Opmerkingen

 

Gepubliceerd door Olane op 28 juli 2018

Het (on)vermogen verontwaardigd te zijn over de moord op de ziel

Gepubliceerd door Olane op 24 juli 2017
olane roos Mod • 10 maanden geleden

Beste Olane,

Jouw artikel heb ik aandachtig gelezen. Het is een uitstekende tekst en ik begrijp zeer goed jouw standpunt. Je komt terecht op voor de kinderen die het slachtoffer zijn van zware mishandeling
en/of verwaarlozing.

Wat betreft de standpunten die je bij mij meent te ontwaren, meen ik dat je iets ziet wat er niet echt in staat. Je baseert je op één artikel (niet in een wetenschappelijk tijdschrift, dus kort en leesbaar voor een breed publiek), terwijl ik een tiental boeken heb geschreven over het thema die jou ook erg interesseert. Daarin zal je zien hoe ik opkom voor de kinderen die door hun ouders slecht opgevoed worden en voor kinderen die helaas geen gelukkige kindertijd hebben gekend.

Onderaan mijn homepage staat al iets dat dit laatste kan verduidelijken (citaat uit 'Marie-Therese').

Mijn artikel in TPO was alleen bedoeld om een onderscheid te maken tussen jongeren die geweldsdelicten plegen in een panieksituatie en bij wie verder weinig aan de hand is, en anderen die als klein kind reeds heel wat negatieve ervaringen meegemaakt hebben. Dat onderscheid is van belang om te weten welke interventie gewenst is.

Vriendelijke groet,

prof.dr. juliaan van acker

Beste Juliaan,

Misdadigheid is niet de enige manier om oude pijn te vermijden. Ook het nalaten waarheidsgetrouwe uitspraken te doen is een manier om de eigen verdrongen geschiedenis niet te hoeven zien en te voelen. Als ik uw woorden lees, bijvoorbeeld als u zegt: “…bedoeld om een onderscheid te maken tussen jongeren die geweldsdelicten plegen in een panieksituatie en bij wie verder weinig aan de hand is, en anderen die als klein kind reeds heel wat negatieve ervaringen meegemaakt hebben.” dan spreekt u niet de waarheid en lijkt u zich niet bewust te zijn van het leed uit uw eigen kindertijd.

Met vriendelijke groet,

Olane Roos

Laatste artikelen

Archief

Platform onze kindertijd © Rupz | Inloggen beheerder.