Empathisch omgaan met een tweejarige: de kracht van ‘ja’
Verzachting
Senna was een meisje van net twee jaar. Ze zat in de wasbak van het aanrecht en vermaakte zich in het water. Op enig moment wees ze naar het messenrek dat aan de muur hing. Zelf kon ze daar nog net niet bij. Ik vroeg, wijzend op een mes, bedoel je dit? Ze schudde van ‘nee’ en wees vervolgens opnieuw naar iets aan het rek. Ik wees het volgende object aan. Weer schudde ze ‘nee’. Toen kwam ik bij de schaar die er ook hing. Bedoel je deze? Ze schudde ‘ja’. Ik voelde wat spanning in me opkomen, maar ik vertrouwde haar en zij mij. Ik begreep dat ze me wat belangrijks wilde vertellen. Ik pakte de schaar en gaf hem aan haar. Ik bleef heel dicht bij haar staan zodat er niets kon gebeuren dat haar pijn zou kunnen doen. Samen onderzochten we de schaar. Ik gleed met mijn vinger over de scherpe vlakken en trok er een gezicht bij en maakte ook een geluid, dat klonk als ‘vuuw’. Toen ik bij de punten van de schaar kwam drukte ik er licht tegen aan met mijn vinger. Ze begreep, aflezend aan mijn gezicht, dat het hier ging om iets dat pijn kon doen. Zij had vertrouwen in mij. Daarna deed Senna met haar eigen vinger wat ik eerst gedaan had. Toen ze klaar was gaf ze de schaar aan mij. Opgelucht hing ik hem terug. Ik begreep, dat toen ze thuis bij moeder was deze ‘nee’ gezegd had en dat had haar pijn gedaan. Ze had immers geen kwade bedoelingen gehad met de schaar. Op deze manier, door haar te helpen de schaar te onderzoeken, werd er iets van haar teleurstelling en pijn verzacht.
Behoefte aan leren
Niet veel later, toen ze klaar was in de wasbak, liep ze naar de koelkast. Ze wilde die opendoen maar had niet genoeg kracht. Ik hielp haar en deed hem voor haar open. Aandachtig keek ze rond. Toen kwam haar blik terecht bij het rekje aan de deur. Daar zag ze een flesje ketjap staan en wees daarna. Wil je daar wat van proeven? Vroeg ik haar en Senna zei ‘ja’. Ik pakte vervolgens een lepeltje en een kopje en deed er wat ketjap in. Samen gingen we op de grond zitten tegenover elkaar. De fles en het kopje zette ik voor haar op de keukenvloer. Onder oogcontact ging ze voorzichtig de ketjap proeven. Ik trok er een gezicht bij om de smaak van de ketjap na te bootsen en zei: 'dat smaakt zout hè'? Senna zei ‘zout’ en keek me aan voor bevestiging. Ik zei ‘ja zout’.
Ik dacht, misschien vindt ze het leuk om een taakje te doen. En toen ze klaar was met proeven vroeg ik: ‘wil jij het flesje in de koelkast doen dan zet ik het kopje op het aanrecht’. Ik zag aan haar gezicht dat ze er plezier in had een bijdrage te leveren aan het samenzijn op de grond. Ze pakte het flesje en liep ermee naar de koelkast. Ik deed de deur voor haar open en Senna zette het terug en ik het kopje. Ik begreep dat moeder haar met ‘nee’ gefrustreerd had in haar natuurlijke behoefte aan weten en onderzoeken. Ik kon die gevoelens van pijn, angst, woede en beschaming van moeders afwijzing die Senna had niet wegnemen. Op deze manier alleen wat verzachten. Gelukkig had ze ook goede gevoelens gekregen waar ze, in haar opgroeien, aan kon vasthouden en op oriënteren. Ervaringen van authenticiteit en verbinding. We liepen de tuin in. Senna ging frambozen plukken.
Trauma
Het was niet veel later dat Senna opnieuw een bezoek bracht aan mij. Op de keukentafel stond een vaas met bloemen. Senna hield veel van bloemen. Als ze op bezoek was gingen we altijd eerst de bloemen bewonderen waar de tuin vol mee stond. Het blauwe guichelheil vond ze de mooiste. Senna klom op de stoel bij de keukentafel en vervolgens op tafel. Ze pakte de bloemen uit de vaas en klom weer naar beneden. Ik dacht in mezelf wat gaat er mee gebeuren? Wat wil ze me vertellen? Daar zou ik al gauw achter komen toen ze met de bloemen op de grond ging zitten. Ik keek aandachtig toe wat of er zou gaan gebeuren. Ik vertrouwde haar en zij mij. De bos bloemen verdeelde ze in drie bosjes. Ik begreep meteen wat ze vertelde: het ging om een hele diepe pijn. Een grote, diepe, open wond. De drie bosjes bloemen waren de drie-eenheid: vader, moeder en zij. Ze was nog geen jaar oud toen haar ouders uit elkaar gingen en vader van haar scheidde. Nu ze haar grote verdriet getoond had kon ik dichtbij haar zijn, haar wat comfort geven in deze oceaan van pijn en verdriet. Ik liet haar weten, dat ik er weet van had en met een zachte stem vol affectie zei ik: ‘dat zijn papa, mama en Senna samen hè? Gevolgd door: ‘jij bent een hele grote liever’. De bloemen gingen later weer in de vaas.